 |
 |
De Jordaan in de literatuur
Nieuwe tentoonstelling in Theo Thijssen Museum:
‘Buiten de orde’
De Jordaan in de literatuur
De buurtnaam Jordaan roept tot in de verste hoeken van Nederland warme gevoelens op. En dat is vooral te danken aan alle romans, toneelstukken, films, gedichten en liedjes die aan deze buurt – de bakermat van o.a. Theo Thijssen – zijn gewijd. Het Theo Thijssen Museum probeert nu het literaire beeld van de Jordaan te vangen – met alle veranderingen daarin.
In dit intieme museum in de schaduw van de Westertoren, het geboortehuis van schrijver/onderwijzer Theo Thijssen (1879-1949), wordt a.s. zaterdagmiddag 16 januari om 16.00 uur de tentoonstelling Buiten de orde – De Jordaan in de literatuur feestelijk geopend met vertolking van enkele korte literaire teksten, een paar feestelijke woorden en vermoedelijk enig schuchter maar allengs overmoediger gezang. Iedereen is daarbij welkom.
De in omvang bescheiden tentoonstelling toont in ontroerende, schokkende, vermakelijke en in ieder geval typerende foto’s en prenten allerlei plekken in de Amsterdamse Jordaan, maar voal aspecten van het Jordaanleven van vroeger en nu die op een of ander manier (vertekend of niet) hun uitdrukking vonden in de literatuur in zeer brede zin: de armoede, de krotten, het vuil, het isolemen, de saamhorigheid, de standsverschillen, het Palingoproer en Jordaanoproer, de gezelligheid (kroeg, pierement, kermis, Hartjesdag, zang en dans), de duivenhouderij en het palingtrekken, maar ook de renovatie van de jaren zeventig en tachtig, de artistieke en yupperige nieuwkomers, Koninginnedag-vrijmarkt, hofjesconcerten geveltuintjes en bakfietsen-voor-kleutervervoer. En natuurlijk (het gaat immers over literatuur) zijn in de vitrines ook romans, dichtbundels e.d. te zien waarin de buurt een belangrijke rol speelt.
Wie dan verder wil lezen, kan beginnen met de eenvoudig maar smaakvol uitgevoerde begeleidende tekstenbrochure (met dezelfde titel). Die bevat een inleiding over de veranderde beeldvorming én een kleine bloemlezing van tientallen korte en wat langere literaire citaten over de Jordaan sinds de 17de eeuw (Rembrandt op de Rozengracht!), geschreven tussen 1860 (Multatuli) en 2009 (Charlotte Mutsaers).
Veranderde beeldvorming: drie tijdvakken
Het heeft lang geduurd voordat de literatuur (in brede zin) zich voor de Jordaan ging interesseren. En mét de buurt zelf veranderde – traag – ook de beeldvorming.
In de tentoonstelling onderscheiden we heel grof drie perioden. Allereerst die van de geminachte Jordaan (tot ca. 1910). In zijn Lof der genever waarschuwt de 18de-eeuwse satiricus Robert Hennebo al voor de wildheid der Jordanese vrouwen. De Jordaan geldt dan als een akelige achterbuurt – zoals er wel mee zijn. Geen buurt om trots op te zijn, hoezeer de middenstanders en redelijk welstandigen die er óók wonen ook hun best doen om te laten zien dat zijzelf toch Zeer Fatsoenlijk zijn. Per saldo bleef de Jordaan toch lang de armste buurt van Amsterdam. Juist die minderheid van ‘nette’ Jordanezen levert overigens in de 19de eeuw een paar fraaie literaire anti-helden op, allebei in het werk van Multatuli: Meester Pennewip en Juffrouw Laps (in Woutertje Pieterse) en koffiemakelaar Batavus Droogstoppel (in Max Havelaar). En eigenlijk kan ook Kees de jongen tot deze periode worden gerekend. (De eerste fragmenten schreef Thijssen in 1908.) Kees is een middenstanderszoon die neerziet op ‘klompjeskinderen’ en ‘schooiers’ en (op gezag van vader en oom) draaiorgels verfoeit. Hij houdt van de Westertoren, maar is niet trots op zijn buurt.
Maar de ruwe massa van armoelijders begint rond 1900 de literatoren toch te intrigeren. Israël Querido, die ‘undercover’ een zolderkamertje in de Eerste Goudsbloemdwarsstraat huurt, noemt zich wel socialist, maar kijkt eigenlijk op die ‘verdierlijkte’ krotbewoners neer – zolang ze nog niet door het socialisme zijn ‘verheven’. Intussen maakt hij ze ze wel tot kleurrijke personages. Daarmee luidt hij eigenlijk al een nieuw tijdperk in, dat van de romantische Jordaan (ca. 1910-1970).
Herman Bouber beschrijft ongeveer dezelfde Jordaantypen als Querido, maar dan met mededogen, invoelende humor en zelfs enige groepstrots, want Bouber zelf komt uit de Jordaan. Zijn Jordanezen zijn net als bij Querido nogal heetgebakerd en grof in de mond (hoe vaak die ook wordt gespoeld), maar tegelijk hebben ze een hart van goud. En dat beeld wordt in de tientallen jaren daarop steeds verder uitgesponnen, onder meer in Jordaanfilms en het nieuwe genre van het Jordaanlied. Op den duur wordt die vermaledijde Jordaan steeds mooier voorgesteld: je woning mag dan een krot zijn, zolang je er de klokken van Westertoren maar hoort is het toch een paradijs. In novellen en romans van o.a.Theun de Vries, Jan Mens en de – zwaar ‘foute’ – G.P. Smis klinkt niettemin (ook) de echte rauwe ellende door.
Na de oorlog vermindert de armoede (maar niet meteen de verkrotting), trekken talloze Jordanezen naar de Westelijke Tuinsteden, Almere en Lelystad, en wordt (na 1970) de buurt gesaneerd. De Jordaan begint te ‘veryuppen’. We noemen het maar het tijdperk van ‘Broedplaats Jordaan’, de artistieke Jordaan, want er komen steeds meer studenten, schrijvers, dichters (Simon Vinkenoog, Jan Kal) en allerhande artiesten wonen, die zich in de kroegen graag mengen met de oude Jordanezen. Op zolderkamertjes worden zelfs literaire tijdschriften opgericht, zoals in 1974 De Revisor ten huize van Dirk Ayelt Kooyman op de Brouwersgracht. (Twee jaar jaar later wordt kersvers Palmgrachtbewoner Nicolaas Matsier redacteur en in 1982 debuteert hierin Thomas Rosenboom – Egelantiersgracht.) In hun werk, maar ook in dat van bijvoorbeeld Racha Peper, Basha Faber, Charlotte Mutsaers en Suzanna Jansen klinkt hier en daar de nieuwe Jordaansfeer door. Een beetje tegendraads, nonconformistisch is de sfeer er gelukkig nog steeds. In die Jordaan, in die enig(st)e Jordaan ligt voorlopig inspiratie genoeg. En eigenlijk is het nu niet alleen qua sfeer maar ook materieel bepaald geen slecht plekkie om er (als het dan toch ooit moet) dood te gaan – zoals (waarschijnlijk) Louis Davids het in 1917 opschreef en Foen de la Mar het zong.
Zoals gewoonlijk werkten vele vrijwilligers, onbezoldigde museumbestuurders, liefhebbers, culturele instellingen, fotografen en in dit geval ook enkele literatuurkenners en schrijvers geheel belangeloos ( verreweg de meesten) of anders toch tegen vriendenprijs dan wel met verre van vanzelfsprekende souplesse mee aan onze tentoonstelling,de brochure en ons begeleidende Theo Thijssen Bulletin. (Geen luxe, want ons museum krijgt geen cent subsidie.) We zijn ze allemaal intens dankbaar!
Maar een aantal mensen en clubs zijn we bovengemiddeld veel dank schuldig: Martin Alberts, Amsterdams Historisch Museum, Hans van den Bogaard, Jan Carmiggelt, Jack van Dongen, Elsbeth Etty, Ko van Geemert, Trude de Jong, drukkerij Jubels, Bernard Kruithof, Karin de Leeuw-van Lierop, Nicolaas Matsier, Mieke Krijger (Jordaanmuseum i.o.), Ons Amsterdam, Arie Pappot, Paul Spies, Wim Ruigrok, Stadsarchief Amsterdam, Ingrid van Stokkum, Rik Thijssen, Erven Theun de Vries, Thijs Wierema, Wijkcentrum Straat & Dijk en Yew Kee Chung.
De tentoonstelling is te zien tot en met 30 augustus 2010.
Het museum is wekelijks geopend van donderdag tot en met zondag, 12-17 uur (behalve op feestdagen). Entree slechts €2,– (donateurs gratis).
Voor meer informatie: Peter-Paul de Baar, 020-365 78 50 en ppdebaar@planet.nl; www.theothijssenmuseum.nl.
|
 |