NIEUWS
ACTUEEL
IN HET MUSEUM
CITAAT VAN DE MAAND

Kind is koning

"(...) kinderschrijver moet schrijver zijn. Hem moet de taal iets méér zijn dan het ons gewone menschen is; en bovendien moet hij van het kind houden; zooveel houden, dat het kind hem verstaat. Hij moet eerlijk geven wat er in hem leeft; en wat er in hem leed moet voor het kind zijn; en zóó hevig moet het in hem zijn, dat hij 't uit; dat hij 't uiten moet. Een kinderboek moet écht zijn. En een kinderboek beoordeelen is alleen maar kijken, of het echt is; of de schrijver kinder-kunstenaar is. Wat 'n raar woord, hè, ‘kinder-kunstenaar’!”


Leerzaam straatleven


Toch gebeurd


<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt" class=MsoNormal><SPAN
style="FONT-FAMILY: Arial; FONT-SIZE: 8pt"><SPAN
style="mso-tab-count: 1">&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
</SPAN>"Ach God," zei tante. En Kees hoorde ook haar
snikken.<o:p></o:p></SPAN></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt" class=MsoNormal><SPAN
style="FONT-FAMILY: Arial; FONT-SIZE: 8pt"><SPAN
style="mso-tab-count: 1">&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
</SPAN>Hij lag er wonderlijk kalm; maar wel was zijn aandacht erg gespannen: wat
zou oom bedoelen toch; wát was er afgelopen?<o:p></o:p></SPAN></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt" class=MsoNormal><SPAN
style="FONT-FAMILY: Arial; FONT-SIZE: 8pt"><SPAN
style="mso-tab-count: 1">&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
</SPAN>Hij gluurde door z'n oogharen en zag ze allebei zitten, een eind van de
tafel af: oom tegen de muur op een stoel, met z'n elleboog op de leuning en een
hand onder z'n hoofd en tante bij de keukendeur, met d'r handen over d'r gezicht
wrijvend en snikkend.<o:p></o:p></SPAN></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt" class=MsoNormal><SPAN
style="FONT-FAMILY: Arial; FONT-SIZE: 8pt"><SPAN
style="mso-tab-count: 1">&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
</SPAN>Er ging een verlammende schrik door hem, maar hij wou nog niet
begrijpen.<o:p></o:p></SPAN></P>
<P></FONT></FONT></SPAN>&nbsp;</P>           

 

 Hij lag er wonderlijk kalm; maar wel was zijn aandacht erg gespannen: wat zou oom bedoelen toch; wát was er afgelopen?

            Hij gluurde door z'n oogharen en zag ze allebei zitten, een eind van de tafel af: oom tegen de muur op een stoel, met z'n elleboog op de leuning en een hand onder z'n hoofd en tante bij de keukendeur, met d'r handen over d'r gezicht wrijvend en snikkend.

            Er ging een verlammende schrik door hem, maar hij wou nog niet begrijpen.

 

            Tante stond op en ging voorzichtig de alkoofdeur dichtdoen. Toen kwam ze naar Kees kijken, maar die hield zich dadelijk weer slapend.

            "De arme schapen," fluisterde tante, "hoe laat is het gebeurd?"

            "Weet 't niet," zei oom, heel moeilijk sprekend, net of-ie telkens benauwd werd, "... hij is niet meer bij kennis gekomen na vanmiddag... aldoor zo stil blijven liggen... we hebben er maar bij gezeten, vader ook... zo oud als-ie is... de godganse nacht... en tegen de ochtend werd-ie zo erg stil... gingen we twijfelen... zeg ik tegen haar: zie dat je nou wat slapen gaat nog... zulke onzin praat je dan hè... tegen je eigen gedachten in... ben ik nog naar die dokter gevlogen... heb daar staan te schellen... hij zou komen... hij moet nóg komen... och hij wist het gisteren al... kom ik terug... 't leek of ze gék was... die juffrouw van boven was er gelukkig... de ouwe man wist geen raad ook... Och god Jeanne, 't is ook zo erg, 't is ook zo erg...

            En hij huilde nu, z'n stem was helemaal geen mannenstem meer...

            Kees ging ineens recht overeind in het bed zitten. Ze schrokken allebei.

            "U liegt het toch! U líegt het!" riep-ie, het enige wat-ie zeggen kón.

            Oom stond op en ging de keuken in, alsof-ie wegvluchtte. Tante kwam naar Kees toe, zwijgend, en duwde hem zachtjes neer en dekte hem toe.

            "D'r is niks van waar!" schreeuwde Kees; hij duwde z'n hoofd in het kussen, om niet te laten zien hoe erg hij huilde.

            "Nee d'r is ook niks van waar, Kees," suste tante, "blijf jij nog maar slapen, toe blijf nog maar slapen tot ik jullie roep, dan is het tijd genoeg nog. Denk om Truus."

            Kees gaf geen antwoord. Huilend zocht hij naar een uitweg, naar een middel om aan de waarheid te ontkomen, om zichzelf te bewijzen dat ze zich allemaal vergisten...

            Maar hij vond niets. En hij moest zich machteloos overgeven aan de waarheid: dat het toch gebeurd was, toch gebeurd... "


'Och, Jordaan?...'